Alle vorige woorden.

109 woorden

uitspansel

naamwoord

De ruimte boven de aarde, de lucht.

verwevenheid

naamwoord

De complexe verbinding tussen elementen in een geheel.

heidschemering

naamwoord

De overgang van dag naar nacht, kleurrijk en mystiek.

verfijning

naamwoord

Het proces van verfijnen of detailleren.

verhevenheid

naamwoord

Een staat van verhevenheid of transcendentie.

gemoedstoestand

naamwoord

Een specifieke emotionele of mentale staat van zijn.

verlangzucht

naamwoord

Een diepgeworteld verlangen naar iets of iemand, vaak onbereikbaar.

omfloerst

bijvoeglijk

Gedempt en wazig, als door een sluier gehuld; melancholisch van klank.

schemerlicht

naamwoord

Het zacht gloeiende licht in de schemering tussen dag en nacht.

vrede

naamwoord

Afwezigheid van conflict, maar ook: een innerlijke toestand van rust en aanvaarding.

vertrouwen

naamwoord

Het geloof dat iemand of iets betrouwbaar is. Langzaam opgebouwd, snel gebroken.

geborgenheid

naamwoord

Het gevoel van veiligheid en warmte wanneer je je volledig op je gemak voelt.

stemmingswisseling

naamwoord

Een plotselinge overgang van de ene gemoedstoestand naar de andere.

verlies

naamwoord

Het niet meer hebben van iets of iemand. De pijn die achterblijft als iets weg is.

vredigheid

naamwoord

Een zachte, duurzame innerlijke vrede die problemen draagt zonder ze te ontkennen.

diepgeworteld

bijvoeglijk

Diep in iemand of iets geworteld, moeilijk te veranderen of te verwijderen.

kracht

naamwoord

Vermogen, energie, het kunnen dragen of bewegen. Zowel fysiek als innerlijk.

verguizen

werkwoord

Iemand publiekelijk kleineren, belasteren of minachten met bedoeling te beschadigen.

aarzelend

bijvoeglijk

Twijfelend, niet zeker, het ene moment wel en het andere niet.

bedachtzaam

bijvoeglijk

Zorgvuldig nadenkend voor men handelt. De rust van wie niet overhaast.

verrijken

werkwoord

Rijker maken, meer diepte geven. Niet in materiële maar in betekenisvolle zin.

vrijheid

naamwoord

De afwezigheid van beperking en het vermogen zelf te kiezen wat je ermee doet.

rust

naamwoord

Stilstand en kalmte. De toestand van wie niet langer vecht of haast.

overgave

naamwoord

Het zich volledig overgeven aan iets of iemand, zonder voorbehoud.

raadselachtig

bijvoeglijk

Als een raadsel, moeilijk te begrijpen of te verklaren.

aanraking

naamwoord

Fysiek contact, het raken van een ander. De meest directe vorm van aanwezigheid.

onbeholpen

bijvoeglijk

Onhandig, zonder gratie, aandoenlijk voor wie het goed bedoelt maar niet goed terechtkomt.

eerbiedig

bijvoeglijk

Met diep respect en ontzag. De houding van wie de grootte van iets erkent.

onzekerheid

naamwoord

Het niet weten, het missen van zekerheid, twijfel die meerdere mogelijkheden openlaat.

onuitgesproken

bijvoeglijk

Niet gezegd maar wel aanwezig, wat tussen mensen hangt zonder woorden.

hardnekkig

bijvoeglijk

Vasthoudend, weigerende toe te geven. Wat niet weggeaat ondanks druk.

gemoedelijk

bijvoeglijk

Vriendelijk en ongedwongen, zonder pretentie. De warmte van wie niets te bewijzen heeft.

pijn

naamwoord

Lichamelijk of emotioneel leed. Het signaal dat er iets is wat aandacht vraagt.

bedrieglijk

bijvoeglijk

Misleidend van schijn. Wat er anders uitziet dan het is.

diepzinnig

bijvoeglijk

Met grote diepte van gedachte of gevoel. Wat niet aan de oppervlakte blijft.

besef

naamwoord

Het bewust worden van iets, de plotselinge of geleidelijke erkenning van een waarheid.

wezenlijk

bijvoeglijk

Fundamenteel en essentieel. Wat tot de kern van iets of iemand behoort.

vervreemding

naamwoord

Het gevoel vreemd geworden te zijn aan iets vertrouws, afstand die zich ingesijpeld heeft.

vrijgevigheid

naamwoord

De eigenschap van gemakkelijk en graag geven. Generositeit als karakter, niet als taak.

nawerking

naamwoord

De voortdurende werking van iets nadat het voorbij is, gevolgen die doorlopen.

overpeinzen

werkwoord

Langdurig en diep nadenken over iets. Peinzen zonder haast, tot op de bodem.

schoonheid

naamwoord

De kwaliteit die ons doet stilstaan. Schoonheid vraagt niets, ze toont zich.

vriendelijkheid

naamwoord

Een warm gedrag dat anderen welkom laat voelen door kleine, concrete gebaren.

gedrevenheid

naamwoord

Een innerlijke kracht die je in beweging houdt, voorbij vermoeidheid en obstakels.

nabijheid

naamwoord

Dichtbijheid in ruimte of gevoel. De kwaliteit van aanwezig zijn voor iemand.

doortastend

bijvoeglijk

Krachtig en direct in handelen. Die geen omwegen neemt wanneer dat niet nodig is.

verinnigen

werkwoord

Iets diep verinnerlijken, tot deel van jezelf maken, geen oppervlakkige kennis.

dankbaarheid

naamwoord

Erkenning van wat je hebt ontvangen, een houding die vreugde verdiept.

vertwijfeld

bijvoeglijk

In grote verwarring en wanhoop, niet wetend welke kant op, zonder uitweg.

mijmering

naamwoord

Zacht, dromerig nadenken zonder richting of doel, gedachten die drijven.

zielsverwant

bijvoeglijk

Verwant in ziel en geest. Iemand die aanvoelt als een spiegel van wie je zelf bent.

wijsheid

naamwoord

Het vermogen om goed te oordelen op basis van ervaring en begrip. Kennis die geleefd is.

beklijven

werkwoord

Blijven hangen, niet vergeten worden. Wat in het geheugen of het hart blijft zitten.

ontluiken

werkwoord

Langzaam open gaan, als een bloem. Ook: beginnen te groeien en zich te ontwikkelen.

luguber

bijvoeglijk

Somber, griezelig en beklemmend, iets wat een koude schaduw over de geest werpt.

verstilling

naamwoord

Het stilworden, het neerdalen van rust op een plek of in een mens.

onwennig

bijvoeglijk

Nog niet gewend, in aanpassing, het ongemak van het nieuwe dat nog niet vertrouwd is.

bezieling

naamwoord

Een innerlijke gloed die richting en energie geeft, vuur van binnenuit.

bedremmeld

bijvoeglijk

Verlegen, in verlegenheid gebracht, niet goed wetend wat te zeggen of te doen.

stilte

naamwoord

De afwezigheid van geluid, een ruimte vol van wat er niet gezegd wordt.

neerslachtig

bijvoeglijk

Terneergeslagen, somber, zonder energie of hoop, de lusteloosheid die niet opkijkt.

herinnering

naamwoord

Wat blijft van een ervaring nadat ze voorbij is. Het verleden dat leeft in het heden.

smartelijk

bijvoeglijk

Pijnlijk en verdrietig, op een manier die snijdt. Een smart die zich niet laat negeren.

zachtheid

naamwoord

De eigenschap van zacht zijn in aanraking of gedrag, draagt zonder te stoten.

wonderlijk

bijvoeglijk

Merkwaardig en verwonderlijk, wat verbaast en verrast op een onverwachte manier.

ingetogen

bijvoeglijk

Rustig, terughoudend, niet opvallend. De kwaliteit van wie zichzelf niet opdringt.

inkeer

naamwoord

Het keerpunt waarbij men inziet verkeerd gehandeld te hebben en naar betere waarden keert.

twijfelmoedig

bijvoeglijk

Vol twijfel en besluiteloosheid. De moed die ontbreekt om te kiezen.

tederheid

naamwoord

Zachtmoedigheid, liefdevolle omzichtigheid met wat kwetsbaar is.

vergeten

werkwoord

Niet langer onthouden, maar ook jezelf verliezen in iets en opgaan in het moment.

stilzwijgend

bijvoeglijk

Zonder woorden, in stilte begrepen of afgesproken. Wat niet gezegd maar wel geweten is.

vertroebeld

bijvoeglijk

Troebel geworden, niet meer helder, beïnvloed door emotie of tijd.

strelend

bijvoeglijk

Zacht en aangenaam rakend, als een streling. Wat de zinnen aangenaam prikkelt.

bezield

bijvoeglijk

Vervuld van bezieling en innerlijke gloed. Iets wat leeft van binnenuit.

genegenheid

naamwoord

Warme affectie voor iemand, diepgeworteld, meer dan sympathie maar stiller dan liefde.

vervagen

werkwoord

Minder duidelijk worden, contouren verliezen, grenzen of herinneringen die wegvloeien.

toevlucht

naamwoord

De plek of persoon tot wie men vlucht bij gevaar of moeilijkheid. Een anker in de storm.

welbehagen

naamwoord

Een gevoel van rust en tevredenheid. Het prettige gevoel van wie niets tekortkomt.

weemoed

naamwoord

Een zachte, zoetbittere melancholie bij het denken aan iets moois dat voorbij is.

roerloos

bijvoeglijk

Totaal onbeweeglijk, als bevangen door iets overweldigends, diep en stil.

verbondenheid

naamwoord

Het gevoel bij iets of iemand te horen. Een diepe herkenning van gedeeld bestaan.

stroom

naamwoord

Een constante beweging van water of energie. Ook: de stroom van het leven die meesleept.

ontroeren

werkwoord

Diep emotioneel geraakt worden door iets moois of teder, een innerlijke trilling.

opgelost

bijvoeglijk

Volledig ontspannen, zonder spanning of zorgen. In een staat van totale rust.

treuren

werkwoord

Rouwen, droevig zijn om een verlies. De pijn van gemis toelaten en dragen.

innerlijk

bijvoeglijk

Van of betreffende het binnenste, wat in de ziel leeft, niet zichtbaar van buiten.

betekenis

naamwoord

De inhoud en waarde die iets draagt. Wat dingen zinvol maakt.

innerlijke stem

naamwoord

De stem die van binnenuit spreekt, het geweten of de intuïtie die richting geeft.

wonderbaarlijk

bijvoeglijk

Vol van verwondering, buitengewoon mooi of raadselachtig, niet volledig te begrijpen.

geheugen

naamwoord

Het vermogen om het verleden vast te houden. Maar ook: wat het verleden met ons doet.

kwetsbaarheid

naamwoord

De toestand van open en blootgesteld zijn aan pijn, kostbaar door zijn broosheid.

tegenstrijdig

bijvoeglijk

In tegenspraak met zichzelf of iets anders, twee elementen die tegelijk waar zijn.

nieuwsgierigheid

naamwoord

De drang om te weten, te ontdekken, te begrijpen. De motor van leren en verwondering.

sluimerend

bijvoeglijk

Slapend, in een toestand van halfslaap. Ook: latent aanwezig maar nog niet actief.

verlangen

naamwoord

Een diep begeren naar iets of iemand. Het voelen van een leegte die gevuld wil worden.

vertedering

naamwoord

Een zachte ontroering door iets liefs of kwetsbaars. Het hart dat zachter wordt.

broosheid

naamwoord

De toestand van kwetsbaarheid en vergankelijkheid, delicaat als iets kostbaars.

groeien

werkwoord

In omvang, kracht of diepte toenemen. Ook innerlijk: rijper en wijzer worden.

liefde

naamwoord

Diepe genegenheid en verbondenheid, in al haar vormen het meest fundamentele gevoel.

schuchter

bijvoeglijk

Verlegen en terughoudend, bang om op te vallen, zacht en ingehouden.

hoop

naamwoord

De verwachting dat iets goeds zal komen, een actieve oriëntatie op de toekomst.

zwijgen

werkwoord

Niets zeggen, stilzwijgend blijven. Soms een keuze, soms een noodwendigheid.

toewijding

naamwoord

Het zich volledig geven aan iets of iemand. De inzet die niet halfslachtig is.

schemering

naamwoord

Het halfduister van dageraad of schemering. Het moment tussen nacht en dag.

inzicht

naamwoord

Een plotseling begrip, een verschuiving van perspectief voorbij louter kennis.

aangedaan

bijvoeglijk

Diep geraakt, geëmotioneerd. Het zichtbare gevolg van iets wat het hart heeft aangeraakt.

meeslepend

bijvoeglijk

Zo boeiend dat het je meesleurt en je er niet meer uitkomt.

doordringen

werkwoord

Diep in iets doordringen, tot de kern komen. Ook: volledig begrijpen, echt begrijpen.

onbevangen

bijvoeglijk

Zonder vooroordeel of belemmering, onbekommerd en open van geest.

Beschikbaar in: